Oplossen verstedelijkingsvraagstukken vereist integrale aanpak infrabeheerders

15 april 2019

De toenemende verstedelijking van steden brengt nieuwe mobiliteitsuitdagingen met zich mee en confronteert infrabeheerders met tal van transitieopgaven. Zij moeten nu al voorsorteren op hoe de Nederlandse samenleving er over 20 tot 30 jaar uit zal gaan zien.

Dat vraagt om een cross-sectorale, integrale benadering teneinde het infranetwerk toekomstbestendig te maken, zegt Aernout van der Bend, algemeen directeur van NGinfra, in de nieuwe editie GO!Mobility Magazine, waarin stedelijke mobiliteit centraal staat.

Infrabeheerders moeten zich volgens hem meer mengen in het publieke debat en meer de aandacht vestigen op de maatschappelijke waarde van infra.

NGinfra staat voor Next Generation Infrastructures, het kennisplatform waarin Rijkswaterstaat, Havenbedrijf Rotterdam, Alliander, Schiphol, ProRail en Vitens zich hebben verenigd om de Nederlandse infrastructuur optimaal te laten inspelen op drie belangrijke trends: urbanisatie, digitalisering en energietransitie.

Postzegelniveau

Tot nu toe wordt infra naar het oordeel van Van der Bend vooral op microniveau of, anders gezegd, op postzegelniveau benaderd. ‘De aanleg van nieuw asfalt heeft vooral tot doel een knelpunt op te lossen dat in het verleden is ontstaan. Gemeenten en provincies concurreren met elkaar om geld te krijgen uit dezelfde infrapot. Met als gevolg dat er onvoldoende nationale afstemming en coördinatie van investeringen in infra is. Ieder netwerk verricht op individuele basis verbeteringen en aanpassingen waarmee een andere infrabeheerder vervolgens wordt geconfronteerd.’

Champions league

Hoewel altijd voor verbeteringen vatbaar, wil Van der Bend benadrukken dat Nederland qua infra behoort tot de ‘top van de Champions league’. ‘Je wordt wakker, doet het licht aan, neemt een slok water, doet een plas, stapt onder de douche, checkt je mobieltje en pakt de auto, trein of fiets naar het werk. Dat vinden wij doodnormaal. Voor de rest van de wereld is dat beslist niet het geval.’

Omdat die toppositie is bereikt zonder sectorale aanpak is volgens hem nog wel wat winst te behalen. Hij wijst er op dat de hele Rijksbegroting in silo’s is gevat, waardoor infranetwerken niet met elkaar in verband worden gebracht. ‘Woningbouw geschiedt monosectoraal. Daar zijn nog veel punten te scoren. Verder wordt de sociale en maatschappelijke waarde van infra nauwelijks in besluitvormingsprocessen meegenomen, wat uiteindelijk leidt tot een kale “euro vergelijking” in de afwegingen.’