Rekenkamer: Autobelastingen zijn inconsequent, verouderd en vervuilend

2 december 2019

Dat kopte het FD vorige week na het verschijnen van het rapport "Autobelastingen als beleidsinstrument" van de Algemene Rekenkamer. Het stelsel biedt volgens de Rekenkamer onvoldoende prikkels om in schonere en zuiniger voertuigen te gaan rijden, en dit staat haaks staat op de luchtkwaliteit- en klimaatdoelstellingen die Nederland wil behalen.

Het Rekenkamer-rapport wordt in de komende vergadering van de Public Affairs-commissie besproken, maar toch alvast iets over de inhoud.

Fiscale prikkels grijpen niet direct aan bij het gebruik en de feitelijke uitstoot van motorvoertuigen, zo stelt de Algemene Rekenkamer vast in haar rapport. Bovendien is het bereik van fiscale prikkels beperkt en niet eenduidig gericht: de bpm voor bestelauto’s en motorrijwielen is bijvoorbeeld gebaseerd op de catalogusprijs in plaats van op de CO2-uitstoot. Die bpm is laag en bestelauto's van ondernemers zijn zelfs vrijgesteld van bpm, terwijl er ook nog een verlaagde motorrijtuigenbelasting voor geldt.

Op onderdelen werken de huidige fiscale prikkels zelfs tegengesteld. Dit betreft met name: het lagere accijnstarief voor dieselbrandstof in relatie tot de hogere tarieven voor dieselvoertuigen in de bpm en mrb en de hogere bpm-tarieven voor plug-in hybrides (PHEV) tegenover het verlaagde tarief voor zuinige auto’s in de mrb. Onbedoelde negatieve effecten kunnen optreden door bijvoorbeeld veroudering van het wagenpark, parallelimport en de youngtimerregeling.

Ook vindt de Rekenkamer dat de regelgeving rond de waardebepaling en het bijtellingspercentage voor privégebruik van de auto van de zaak beter moet worden onderbouwd. De Algemene Rekenkamer verwijst naar een eerder onderzoek van OESO, en stelt vast dat de bijtelling op basis van privévoordeel ongeveer 36% zou moeten bedragen.

Alleen over brandstofaccijnzen is de Algemene Rekenkamer nog relatief positief: die komt in de buurt van een belastingheffing naar gebruik en dat ziet de Algemene Rekenkamer als effectieve bijdrage aan milieu- en klimaatdoelstellingen. Maar ook op de accijnsregels heeft zij wel nog het een en ander aan te merken: de lagere accijnstarieven voor dieselbrandstof werken tegengesteld aan de hogere tarieven voor dieselvoertuigen in de bpm en mrb. Het gevolg is dat diesel rijden fiscaal juist aantrekkelijk is als jaarlijks veel kilometers worden afgelegd.

Staatssecretaris Snel heeft al gereageerd op het rapport. Kort samengevat vindt hij dat de autobelastingen gewoon een inkomstenbron zijn voor de schatkist en hij stelt vast dat het huidige regime daaraan voldoet. Tegelijkertijd erkent de staatssecretaris dat de bpm minder stabiel is, omdat het beleid om meer elektrische auto’s, zonder bpm en zonder accijns, op de weg te krijgen de inkomstenstroom onder druk zet. Dat de bpm-inkomsten juist stijgen en de komende jaren structureel 200 miljoen te hoog blijven, mede vanwege de invoering van de emissietest WLTP, daar gaat hij geheel niet op in. Wat betreft de bijtelling verdedigt Snel de keuze voor een forfaitaire bijtelling van 22% van de catalogusprijs als de vanzelfsprekend grofmazige uitkomst van een 'mix van benaderingswijzen'.

Het rapport staat op de agenda van de procedurevergadering van de Kamercommissie Financiën op 5 december. Daar besluit men dan over het vervolgtraject. Wat wij uiteraard nauwgezet voor u zullen volgen.


Contactpersoon
Miranda Maasman
Miranda Maasman
Public Affairs adviseur
+31 20 504 4949