Geen ontslagplicht bij slapend dienstverband

12 september 2019

Mag de werkgever een dienstverband slapend houden na twee jaar ziekte vanwege het feit dat de werknemer binnenkort de AOW-gerechtigde leeftijd nadert en de werkgever in dit laatste geval geen transitievergoeding hoeft te betalen? De rechtbank Oost-Brabant gaf hier op 24 juni 2019 duidelijkheid over.

Werknemer is sinds 28 november 2014 ziek. Vanaf 23 november 2017 ontvangt werknemer een WGA-uitkering. Op 28 november 2016 is werknemer twee jaar ziek. Werkgever houdt het dienstverband al die tijd slapend, om zo geen transitievergoeding te hoeven betalen.

Op 7 augustus 2019 bereikt werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd. Werknemer daagt daarom de werkgever en eist dat werkgever de arbeidsovereenkomst vóór het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd opzegt én de transitievergoeding betaalt. Werknemer voert aan dat de wetgever slapende dienstverbanden onwenselijk acht en dat het doel van de Wet compensatie transitievergoeding (hierna: WCT) is dat de arbeidsovereenkomst bij langdurige arbeidsongeschiktheid wordt opgezegd en de transitievergoeding wordt betaald. Door het dienstverband slapend te houden, wordt de werknemer de transitievergoeding ontnomen. Het in stand houden van de arbeidsovereenkomst is volgens werknemer dan ook in strijd met het goed werkgeverschap ex art. 7:611 BW.

Oordeel

De kantonrechter is het niet eens met werknemer en oordeelt als volgt.

De tijdsdruk die in dit geval speelt, is dat voor werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd nadert en werkgever de arbeidsovereenkomst dan kan opzeggen zonder de transitievergoeding verschuldigd te zijn. De kantonrechter ziet in de aanstaande inwerkingtreding van de WCT en eerdere jurisprudentie onvoldoende grond om het slapend dienstverband te beëindigen. De kantonrechter overweegt weliswaar dat de wetgever slapende dienstverbanden onwenselijk acht, deze wil tegengaan en de WCT invoert om werkgevers te stimuleren deze dienstverbanden te beëindigen. De wetgever heeft echter niet gekozen voor een verplichting van de werkgever om de arbeidsovereenkomst op te zeggen als de werknemer twee jaar ziek is en niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten. Een dergelijke verplichting kan ook niet uit de WCT worden afgeleid. Evenmin bevat de WCT een verplichting om ook bij langdurige arbeidsongeschiktheid de transitievergoeding “af te rekenen”. De tijdsdruk die voortvloeit uit het onafwendbaar naderen van de AOW-gerechtigde leeftijd leidt niet tot een andere conclusie.

Werkgever heeft verder nog aangevoerd dat zij het bedrag van de transitievergoeding zou moeten voorschieten, dat dat een financieringsprobleem voor haar met zich brengt, en dat het risico bestaat dat zij niet het gehele bedrag van de uitgekeerde transitievergoeding zal terug ontvangen. Ook heeft werkgever erop gewezen dat de kosten van de compensatie van transitievergoeding op basis van de WCT via door werkgevers te betalen premies op de werkgevers zullen worden afgewenteld, zodat de compensatie (deels) “een sigaar uit eigen doos” is. Werkgever voert aan dat er al zeer veel aanvragen voor compensatie liggen en dat de kosten voor het eerste jaar door de regering worden geschat op 1 miljard euro. Dat verweer van werkgever snijdt volgens de kantonrechter (vooralsnog) hout. De compensatie zal worden betaald vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds. Dit fonds wordt gefinancierd uit werkgeverspremies en daarmee is de compensatie (deels) “een sigaar uit eigen doos”. Bovendien zullen die premies verhoogd kunnen worden indien (te) veel gebruik gemaakt zal worden van de Wet compensatie transitievergoeding. Werkgever kan dan een belang bij haar weigering op te zeggen niet ontzegd worden. 

Conclusie

De werkgever mocht in deze zaak, onder de omstandigheden, een dienstverband slapend houden na twee jaar ziekte. De tijdsdruk die voortvloeit uit het naderen van de AOW-gerechtigde leeftijd van de werknemer, maakt dit niet anders.

Bron: ECLI:NL:RBOBR:2019:3539